Rijnlands én Angelsaksisch
Uit de kaders breken
In de politiek zou het goed zijn om op te houden te denken in traditioneel rechtse of
linkse kaders. De beste oplossingen zijn niet altijd rechts of links, geen van beiden kan die exclusieve claim doen. Het is dus beter het voor het ene probleem rechts, en voor het andere probleem links aan te pakken. Maar we hebben in Nederland zo’n historie van partijpolitiek, dat er geen partij te vinden is die dit in haar programma combineert. Fortuyn kwam er mee in 2002 (“Niet rechts, niet links, maar pragmatische politiek.” Later opzichtig gejat door Rita Verdonk die onder andere daardoor kitscherig overkomt), maar dat sneeuwde onder in de algehele verontwaardiging dat Fortuyn aan de wieg stond van een vermeende nieuwe ultrarechtse beweging. Want voor sommigen geldt: wat niet links is, is ultrarechts. Om maar eens duidelijk te maken dat intolerantie niet alleen aan de rechterzijde van het politieke spectrum te vinden is.
Allebei
Ook in de discussie of wij in Europa en Nederland het Angelsaksische of Rijnlandse ondernemingsmodel moeten omarmen, gaat die keuze volgens velen over het antwoord op de vraag of het ‘het ene of het andere moet zijn’. En ook hier geldt dat geen van beide partijen de exclusieve claim kunnen leggen. Een succesvolle organisatie combineert elementen van beide ondernemingsmodellen. Zo is het prima dat er in organisaties mensen rondlopen die hun focus hebben op korte termijn resultaten. Deze maand geld verdienen, het hoort er helemaal bij. Voor dit type medewerkers hebben we overigens een naam: zij heten managers. Managers sturen de productie van vandaag. Ze zorgen voor de efficiënte inzet van mensen en middelen zodat er geld binnenkomt. Geld dat nodig is om nieuwe dingen te ontwikkelen. En dan komen we vanzelf op dat andere type medewerker, die met zijn benen op het bureau na mag denken over de toekomst van de organisatie. Het zijn de mensen die wij leiders zouden noemen als ze er zouden zijn. Leiders omdat ze in staat zijn visie concreet te maken en uit te dragen en zo medewerkers inspireren om mee te doen aan iets nieuws.
leiderschap is schaars en on-Nederlands
In Europa en vooral in Nederland is leiderschap uiterst schaars. Veel schaarser dan in het Angelsaksische deel van onze wereld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat verreweg de beste literatuur over leiderschap uit de VS komt met wereldbekende namen als Covey, Kotter en Bennis. Om maar eens over de Nederlandse identiteit te beginnen, wij Nederlanders hebben niet veel met leiderschap. “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg” en “wie zijn kop boven het maaiveld uitsteekt…?” Juist, hakken maar. Wij hebben die deugdelijke eigenschap voor onszelf te willen denken. Dat is niet cynisch bedoeld, een prima eigenschap, maar het maakt ons niet erg ontvankelijk om eens achter iets of iemand aan te lopen, ook niet wanneer dat juist goed voor ons zou zijn. Zo heeft dus inderdaad ieder voordeel ook zijn nadeel.
We krijgen de leiders die we verdienen
En dus krijgen wij in de politiek en in het bedrijfsleven de leiders die we verdienen, als je al van ‘leiders’ kunt spreken. Geen flamboyante visionaire Fortuyn, maar wel een onschuldig ogend kereltje met de uitstraling van een koorknaap. Ook in het bedrijfsleven zijn leiders nauwelijks te vinden. In plaats daarvan bestuurders – die niet doen wat ze zouden moeten doen: succesvolle veranderingen implementeren – maar zichzelf wel excessieve beloningen toekennen en daarmee het tegenovergestelde bereiken van geïnspireerd personeel, personeel dat berust en het verplichte rondje draait. Slow Management? Met een beetje fantasie is dat leiderschap. Pas op de plaats en nadenken over het antwoord op de vraag of we niet heel druk zijn met de verkeerde dingen te doen.
Deze column is ook gepubliceerd op het auteursblog van managementboek.nl